Het didactisch ontwerpkader van EDDAI

EDDAI helpt docenten om generatieve AI (GenAI) bewust en verantwoord in te zetten binnen lessen, opdrachten en modules. Het kader biedt structuur voor leeractiviteiten waarin studenten eerst inhoudelijk voorbereid zijn, vervolgens zelfstandig redeneren en pas daarna GenAI gebruiken om hun denken te verdiepen.

Zo wordt GenAI geen snelle route naar een antwoord, maar een middel om kritisch leren, klinisch redeneren en professioneel onderbouwen te versterken.


EDDAI is gebaseerd op didactische ontwerpprincipes die richting geven aan het verantwoord integreren van GenAI in klinisch redeneren. Deze principes vormen de basis voor de vijf fasen van het ontwerpkader.

Ontwerpprincipes

 

1. Waarborg patiëntveiligheid en effectieve zorg

De aanleiding voor EDDAI is het opleiden van goede professionals die bijdragen aan patiëntveiligheid en effectieve zorg. Studenten moeten leren om zorgvuldig te analyseren, professioneel af te wegen en hun keuzes te onderbouwen. GenAI kan daarbij ondersteunen, maar mag het professionele oordeel niet vervangen.

2. Behoud cognitieve autonomie

Studenten blijven eigenaar van hun eigen denkproces. EDDAI voorkomt dat studenten hun klinische redenering te snel uitbesteden aan GenAI. Daarom analyseren studenten eerst zelfstandig een casus voordat zij GenAI inzetten. Zo blijven hun eigen kennis, twijfels en kennishiaten zichtbaar.

3. Voorkom te vroege cognitieve offloading

Cognitieve offloading betekent dat denk- of analysetaken worden uitbesteed aan een hulpmiddel, zoals GenAI. Dat kan efficiënt zijn, maar in een leerproces ook problematisch worden. Wanneer studenten GenAI te vroeg gebruiken, oefenen zij minder met analyseren, interpreteren, afwegen en onderbouwen. EDDAI bouwt daarom bewust een fase in waarin studenten eerst zonder GenAI redeneren.

4. Bied didactische structuur

Alleen waarschuwen dat “GenAI fouten maakt” is onvoldoende. Studenten hebben concrete didactische structuur nodig om te leren hoe zij GenAI-output kritisch kunnen beoordelen. EDDAI biedt die structuur door het GenAI-gebruik te faseren: eerst voorbereiden, dan zelf redeneren, daarna GenAI inzetten, vervolgens controleren en ten slotte verantwoorden.

5. Stimuleer cognitieve opbouw

EDDAI stimuleert noodzakelijke cognitieve opbouw. Vanuit Bloom’s taxonomie geldt dat fundamenteel begrip een voorwaarde is om tot hogere denkvaardigheden te komen, zoals analyseren, evalueren en kritisch beoordelen. Daarom begint EDDAI met voorbereiding en kennisopbouw. Studenten moeten voldoende basiskennis hebben om GenAI-output later kritisch te kunnen wegen.

6. Leg nadruk op evalueren, beoordelen en valideren

Binnen EDDAI ligt de nadruk niet op het genereren van een snel antwoord, maar op het evalueren, beoordelen en valideren van informatie. Studenten toetsen GenAI-output aan betrouwbare bronnen, richtlijnen, patiëntcontext en professioneel oordeel. Alleen controleerbare en onderbouwde informatie kan worden gebruikt.

7. Organiseer inspanning, vertraging en onderbouwing

Leren vraagt inspanning. EDDAI bouwt bewust vertraging in, zodat studenten niet direct naar GenAI grijpen, maar eerst hun eigen redenering zichtbaar maken. Die vertraging is geen belemmering, maar een didactische keuze. Studenten leren hun keuzes beter onderbouwen en professioneel verantwoorden.



EDDAI bestaat uit vijf fasen. Elke fase heeft een eigen didactische functie. Samen zorgen de fasen ervoor dat studenten hun eigen denken eerst activeren en zichtbaar maken voordat zij generatieve AI inzetten.

Fasen van EDDAI

Fase 0 – Lesvoorbereiding

Studenten bouwen vooraf basiskennis op. Zij verdiepen zich in begrippen, aandoeningen, symptomen, risicofactoren, interventies en patiëntcontext.

GenAI kan in deze fase ondersteunend worden gebruikt, bijvoorbeeld om begrippen te verduidelijken, samenvattingen te maken, oefenvragen te genereren of voorkennis te controleren.

De student blijft zelf verantwoordelijk voor het begrijpen van de inhoud. GenAI-output wordt gecontroleerd met betrouwbare bronnen, zoals leerboeken, richtlijnen, protocollen of aangereikte literatuur.

Fase 1 – Klinisch redeneren zonder GenAI

In de les analyseren studenten eerst zelfstandig een casus, zonder GenAI. Dit is de koude start van EDDAI.

Studenten brengen patiëntinformatie in kaart, herkennen urgente signalen, formuleren verwachtingen en stellen een eerste werkhypothese op. Zij maken zichtbaar wat zij al weten, waar zij over twijfelen en welke kennishiaten er zijn.

Deze fase is belangrijk omdat studenten oefenen met zelfstandig denken voordat zij worden beïnvloed door GenAI-output.

Fase 2 – GenAI als sparringpartner

Pas nadat studenten hun eigen analyse hebben gemaakt, gebruiken zij GenAI doelgericht. GenAI wordt niet ingezet om het antwoord over te nemen, maar als sparringpartner.

Studenten vergelijken hun eigen redenering met GenAI-output, verkennen alternatieven en stellen gerichte vervolgvragen. GenAI kan helpen om blinde vlekken zichtbaar te maken, aanvullende perspectieven te bieden of de redenering verder aan te scherpen.

Fase 3 – Onderbouwde keuzes

In deze fase toetsen studenten hun redenering en de GenAI-output aan betrouwbare bronnen, richtlijnen, patiëntgegevens en professioneel oordeel.

De nadruk ligt op verifiëren, afwegen en onderbouwen. Studenten onderzoeken of de GenAI-output klopt, of deze past bij de patiëntcontext en welke informatie ontbreekt of aangepast moet worden.

GenAI-output wordt alleen gebruikt wanneer de onderbouwing controleerbaar en professioneel verantwoord is.

Fase 4 – Reflectie en transfer

Tot slot reflecteren studenten op hun redeneerproces, hun bijstellingen en hun GenAI-gebruik. Zij leggen uit wat zij met de GenAI-output hebben gedaan.

Studenten beschrijven wat zij uit GenAI-output hebben overgenomen, wat zij hebben aangepast, wat zij hebben verworpen en waarom zij deze keuzes hebben gemaakt.

Deze fase verbindt het leren aan professionele ontwikkeling. Studenten leren niet alleen een antwoord te formuleren, maar ook hun denkproces en keuzes te verantwoorden.


Overzicht van het EDDAI ontwerpkader